
Waarom het Koninklijk Atheneum van Antwerpeneen goede school is, die niet deugt.
Nieuwsgierig kocht ik Een tip van de sluier, het boek waarin directrice Karin Heremans van het Koninklijk Atheneum in Antwerpen over haar school schrijft, en ook over zichzelf, haar beleid en haar verwezenlijkingen. De aanleiding voor de publicatie was het hoofddoekenverbod waarmee de directrice de school en zichzelf een jaar geleden deed opmerken.
Ik had al het idee dat dat Atheneum een goede school is, waar veel engagement van de leerkrachten gevraagd wordt en waar veel wordt ondernomen om achterstand van allochtone jongeren weg te werken. De lectuur van het boek bevestigt dat. Toch vond ik het geen spannend boek, integendeel. Het lijkt wel een uit de hand gelopen infobrochure, om niet te zeggen reclamefolder, of een cv voor een directrice die welhaast voorbestemd lijkt voor een hoger ambt of een verdere carrière. Het zit volgepropt met samenvattingen van allerlei theorieën en filosofieën waar je zo’n boek niet voor hoeft te kopen. Het vervelende van al dat shoppen op de ideeënmarkt is bovendien dat de kern van de zaken daardoor vaak niet helderder wordt, of integendeel zelfs in de mist verdwijnt.
Dit boek vraagt dan ook om een tegendraadse lectuur, die nagaat wat er eigenlijk misloopt met dat Atheneum. Maar vooraf toch dit: mevrouw Heremans heeft omwille van haar beleid dreigementen met fysiek geweld naar het hoofd geslingerd gekregen, en er is in verband met het hoofddoekenverbod ook met vandalisme gereageerd tegen het schoolgebouw van het Atheneum in Hoboken. Dergelijke zaken vergen vanzelfsprekend een onmiddellijk kordaat optreden van politie en gerecht. Wie dat niet duidelijk en openlijk erkent, diskwalificeert zich in een discussie over democratische grondrechten en getuigt van kwade trouw.
Dat mevrouw Heremans een geprofileerd standpunt inneemt en dat probeert te verantwoorden, strekt haar tot eer, en hoort geen aanleiding te zijn tot dreigementen, ook al is men het oneens, misschien zelfs gloeiend oneens, met haar visie.
Eigen mening
“Religies in het algemeen, maar de Abrahamitische religies – waaronder de islam – in het bijzonder, bieden heel eenduidige en heldere regels. Ze zeggen wat mag en niet mag. Het kritische denken dat we op school leren, gaat eigenlijk uit van de systematische twijfel van Descartes. Wij leren dat je niets zomaar mag aannemen, dat je over alles kritisch moet nadenken en je eigen mening moet vormen.” (p. 64)
Wat sympathiek, denk ik dan, zo’n school waar kritisch denken geleerd wordt, en waar je je eigen mening mag vormen! Maar helaas, er blijken spelbedervers te zijn: “Wij leren dat elk individu autonoom een mening kan en mag vormen, terwijl het patriarchale systeem in de allochtone gezinnen dat net verwerpt. De regels die thuis aan meisjes worden meegegeven, hebben te maken met hoe je je als vrouw hoort te gedragen, met bescheidenheid, schroom en preutsheid om zo een eervolle [eerbare? EH] vrouw te kunnen worden.” (p. 64)
De school, die overwegend – voor 80% – allochtone jeugd onderwijst, blijkt dus in een totaal antagonistische houding te staan tegenover de thuiscultuur van een groot deel, of het grootste deel van haar klanten. Ik ben heel benieuwd wat dat zal geven. Die thuiscultuur wordt erg negatief beschreven. Ze fnuikt jonge meisjes, is intolerant, wordt gedomineerd door groepsdruk, houdt vast aan segregatie, wil vaak niet integreren… Het is moeizaam zoeken naar iets positiefs. Eigenlijk kan je er niet omheen, die thuiscultuur is achterlijk, al vermijdt mevrouw Heremans wijselijk dat woord.
De conflicten lijken dus wel voorgeprogrammeerd, met zo’n “verlichte”, “emancipatorische” directrice die als vijandbeeld de allochtone achterlijkheid heeft. Dat begint al meteen bij de kleren. “In 2006 schreven er zich in het vierde jaar twee meisjes in die lange zwarte gewaden droegen. Deze jilbab of mantel wordt gedragen in combinatie met de hoofddoek. De meisjes droegen hun hoofddoek nauw aansluitend rond het gelaat. Op dat ogenblik stonden er geen specifieke bepalingen in het schoolreglement over de hoofddoek, behalve dat hij toegestaan was en aan de kledingvoorschriften moest voldoen.” (p. 72) Geen probleem dus? Toch wel, de directrice maakt problemen: “Aanvankelijk denk je ook: ach, dat waait wel over. Maar het omgekeerde gebeurde. De betrokken meisjes probeerden een strikte interpretatie van de Koran bij hun medeleerlingen door te drukken.” (p. 72)
De jilbabmeisjes worden onder druk gezet: “Op school hebben we, samen met de leraars islam en de collega’s van de leerlingenbegeleiding gesprekken georganiseerd met de betrokken meisjes. Na een tijdje was het groepje al uitgegroeid tot vijftien meisjes. De meisjes verwezen voortdurend naar passages uit de Koran.” (p. 72)
De druk van de school neemt verbluffende vormen aan: “Ik vond dat je ook met andere kleding respectvol gekleed kunt gaan en daarom niet minder gelovig hoeft te zijn. Ik heb de leerlingenbegeleiding de opdracht gegeven om met de meisjes te gaan winkelen, op zoek naar gepaste kleding waar ze zich goed in zouden voelen en die als compromis aanvaardbaar zou zijn. Het mocht niet baten. De meisjes kwamen een week in het lichtgrijs in plaats van in het zwart, iets minder bedekt dan voorheen, maar verschenen de daaropvolgende week opnieuw in vol ornaat.” (p. 75) Het geduld van de directrice geraakt mettertijd op: “De ondoordringbaarheid van hun argumentatie, de hardnekkigheid waarmee de leerlingen vasthouden aan de letterlijke interpretatie van de Koran, het totale gebrek aan bereidheid tot compromissen en de grote druk die op de medeleerlingen wordt uitgeoefend heeft me na jaren doen inzien dat er eigenlijk maar één oplossing bestaat: heel erg duidelijk zijn. En dat zijn we in 2009 geweest.” (p. 76)
En daar zijn we dan bij het geruchtmakende hoofddoekenverbod. Het verhaal van mevrouw Heremans, die zich distantieerde van de abrahamitische religies met hun duidelijke regels, die kritiek gaf op de druk die allochtone gezinnen op hun kinderen uitoefenen, en die het recht op een eigen mening van de jeugd verdedigde, eindigt met een totale omkering: als een abrahamitische godheid vaardigt de directrice de eerder afgewezen “heldere en duidelijke regels” uit, noemt de eigen mening van de jongeren “hardnekkigheid” en “gebrek aan bereidheid tot compromissen” en oefent via een schoolreglement zelf de druk uit die ze bij de “patriarchale” gezinnen van de allochtonen afkeurt. De als ideaal geprezen emancipatie blijkt erin te bestaan te plooien voor de directrice. Het is verbijsterend.
Totalitair
De manier waarop de directrice meent te mogen ingrijpen in het vestimentaire gedrag van de leerlingen is niet beperkt tot islamitische klederdracht: “Extremen staan we niet toe: geen blote buiken en geen volledige bedekkingen.” (Heremans op: http://redactie.radiocentraal.be/Home/?p=674 ) Het verbod op de hoofddoek is duidelijk onderdeel van een veel ruimer misstand: de neiging van scholen om zich te bemoeien met het uiterlijk van hun leerlingen, hun kleding, schoeisel, haardracht, opsmuk, make-up… Die totalitaire overschrijding van de onderwijstaak is helaas ruim verspreid, ik heb ze als leerling meegemaakt, en later als ouder: het gezanik over sandalen, het censureren van dreadlocks, het geëmmer over piercings…
Heremans is misschien gewoon een typische directrice, die zichzelf als norm neemt en geen schroom voelt als het erom gaat zich te bemoeien met het voorkomen van haar klanten. Alleen: dit is wel erg in tegenspraak met haar mooie frasen over de eigen standpunten en de emancipatie van de leerlingen. De vestimentaire druk waar zij allochtone ouders en het allochtone milieu in het algemeen van beschuldigt, eist zij als een vanzelfsprekend recht op voor zichzelf. Maar in dit geval betreffen de totalitaire neigingen van het schoolhoofd iets wat onder de vrijheid van godsdienst valt. Dat ontkent Heremans niet, maar ze stelt: “Hier op school zijn we gebotst op de grenzen van vrijheid toen we merkten dat de godsdienstvrijheid andere vrijheden in het gedrang bracht.” (p.42) Welke vrijheden zijn dat dan? Om een grondrecht uit te schakelen zou er wel een ernstig conflict met een ander recht moeten worden aangetoond . Maar dat gebeurt niet. Het blijft bij vaagheden over proselitisme en druk die zou worden uitgeoefend.
Dat godsdienst vaak een wervend karakter heeft, is evident, en ook helemaal niet verkeerd. En kleding is altijd een kwestie van sociale beïnvloeding, door ouders, leeftijdgenoten, de reclame, de school… Het seculiere karakter van onderwijs als dat van het Atheneum houdt in dat de school als instelling neutraal is en geen levensbeschouwingen benadeelt of bevoordeelt, maar dat geldt niet voor de leerlingen. Voor de goede gang van zaken kan de school levensbeschouwelijke propaganda op de school uitsluiten, maar daarbuiten heeft zij niets te zeggen.
Bovendien: als proselitisme het probleem is, moet dàt probleem gedefinieerd en opgelost worden, maar dat kan niet door de godsdienstvrijheid te schenden.
Als er door het rood gereden wordt, verbied je toch niet de auto’s? Als leerlingen buiten de school elkaar willen aansporen om een hoofddoek te dragen, is dat hun goed recht. Als daarbij dreigementen of chantage zouden worden gebruikt, zouden ze hun boekje te buiten gaan, maar de vraag is of de aanpak daarvan nog tot de bevoegdheid van de school behoort.
Rotte appels
Maar er is meer aan de hand: “De leraar islamitische godsdienst ontving dreigbrieven waarin hem verweten werd niet de juiste versie van de islam te onderwijzen. Onder het mom van godsdienstvrijheid wordt door een kleine groep extremisten de vrijheid van godsdienstbeleving verhinderd.” (p. 42-43) Dreigbrieven kunnen natuurlijk niet, daar hoort gewoon met de middelen van de wet tegen opgetreden worden. Maar blijkbaar kan een fractie van het doelpubliek van het islamonderwijs zich niet vinden in het leeraanbod. Die fractie heeft natuurlijk niet het recht om hààr visie als de enige inhoud van de lessen voorop te stellen. Maar omgekeerd, gaat het ook niet op dat er een islamonderwijs wordt aangeboden waar die fractie buiten valt.
De godsdienstvrijheid vergt ook dat de directie neutraal blijft ten opzichte van de stromingen in de islam, en die allemaal aan bod laat komen in haar onderwijs. Is dat het geval? De directrice vindt het niet nodig in te gaan op het probleem dat in de brief vervat ligt, en evenmin in haar boek uit te leggen wat voor islamonderwijs er op haar school gegeven wordt. De directrice is eigenlijk helemaal niet onpartijdig tegenover de islamitische stromingen. “Een fundamentalistische tak van de islam was de school binnengedrongen en riskeerde ons hele verhaal van vrijheid, gelijkheid, pluralisme en openheid onderuit te halen.” (p. 87) Binnengedrongen?? Dat wil toch zeggen dat iets wat buiten moet blijven op onrechtmatige wijze naar binnen gekomen is? Maar dat is helemaal niet het geval. Het gaat hier immers om normaal ingeschreven leerlingen, die toevallig anders denken dan de directrice. En hoe kan dat kleine groepje leerlingen die prachtige ideologie van de directrice zomaar onderuithalen?
De directrice stigmatiseert in haar verhaal een deel van haar klanten als “extremisten”, wat een erg onzindelijk taalgebruik is, omdat dat woord te veel connotaties vermengt: buitensporigheid, gewelddadigheid tot en met terrorisme, en ook de simpele basisbetekenis van: uiterste op een schaal, dus een louter relatief begrip, afhankelijk van de referentiepunten die je kiest. Was dat allemaal te vinden bij die “extremistisch” geachte meisjes? Is een hoofddoek extremistisch? Een lang zwart kleed, is dat extremistisch? In feite was de directrice bezig met een rotte-appelstrategie om een haar onwelkome fractie van haar doelpubliek uit de school weg te pesten. Via het hoofddoekenverbod worden een dertigtal leerlingen uit de school geweerd. Daarna is de directrice opgelucht, want volgens haar gaat alles beter. Die fundamentalistische lastposten, die allerlei zaken op school in vraag begonnen te stellen, zijn immers weg.
En hoe zit dat dan met andere meisjes die een hoofddoek droegen, zonder dat ze tot de conservatieve strekking van imam Taouil behoren? “Zijn de brave moslims die uit vrije wil gekozen hebben voor de hoofddoek daar niet het slachtoffer van? Ja. Dat erken ik graag. Zij zijn mee het slachtoffer van een radicale, onverdraagzame islam. Het zij zo. Dat zijn de spelregels in een samenleving.” (p. 87) Om de “rotte” appels eruit te gooien zijn ook de “gezonde” appels weggesmeten. Collateral damage. Zijn dat de spelregels van de samenleving??
Kokosnoten
Het verlichte despotisme van de directrice, dat de moslims globaal als achterlijk (patriarchaal, segregerend enz.) en de conservatiefste fractie ervan als “extremistisch” definieert, leidt ertoe dat zij hardhandig aan modernisering doet. Dat wordt ook nog gemotiveerd vanuit de arbeidsmarkt. Als een hoofddoek op de arbeidsmarkt een hinderpaal is, dan moet de school, die immers op de arbeidsmarkt gericht is, de hoofddoek verbieden, zo zijn de leerlingen het best voorbereid. (Dat is de visie van Heremans die in interviews terug te vinden is.)
De school als kokosnotenfabriek: ook al ben je van buiten niet blank, als je er buitenkomt, ben je het toch wel van binnen. Je weet in elk geval dat je best geen hoofddoek draagt. “Je bestrijdt islamofobie door een symbool weg te nemen waar mensen angst van hebben”, zei Heremans onlangs op de Nederlandse televisie. En ook: “Ik wil emanciperen”. En verder: “Wij willen geen moslimschool zijn.” Het verlichte despotisme van Heremans uit zich ook in de lacunes in haar boek. Ouderraden of leerlingenraden spelen in haar verhaal geen rol, overleg met de moslimorganisaties evenmin. De gebeurtenissen verlopen via een putschscenario: alles wordt in het geheim voorbereid en als voldongen feit gepresenteerd. Om het onderwijs niet te laten verstoren door tumult, begrijpt u?
Na het lezen van het boek van Heremans vraag je je af of er beleidsmatig niet heel veel misloopt op die school. De sterkte van de instelling lijkt te zijn dat er hard gewerkt wordt om de leerlingen uit hun achterstand te halen en kansen te bieden op de arbeidsmarkt. Maar tegelijk wordt godsdienstvrijheid er niet echt ernstig genomen, is er een verborgen agenda van integratie via assimilatie, worden conservatieve moslims geweerd, is er een hoogst problematisch antagonisme tussen de directie en de moslimgemeenschap waaruit zij leerlingen recruteert, ontbreekt het blijkbaar aan overleg met leerlingen en ouders, en bestaat er een pijnlijke contradictie tussen de frasen over kritische zin en emancipatie en de betutteling die de facto plaatsvindt. Natuurlijk gaat het niet op Heremans hiervoor toe te roepen dat ze zweepslagen verdient (p. 88). Maar een flinke tik op de vingers toch wel.
Eric Hulsens
Karin Heremans, Een tip van de sluier, Antwerpen, Houtekiet, 2010