OverHoop

14-09-2011 | Sayira Maruf

Uit de verhalen van zowel allochtone als autochtone vrouwen blijkt dat onderwijs en tewerkstelling de belangrijkste hefbomen tot emancipatie zijn. Toch blijven deze thema’s in het boek onderbelicht.

In tijden waar regeringsleiders de multiculturele samenleving failliet verklaren, vraagt journalist Dirk Tieleman zich af hoe het gesteld is met de emancipatie van de moslima’s in Vlaanderen.

In zijn nieuwe boek OverHoop interviewt hij zes allochtone vrouwen die getuigen over hun persoonlijk ontvoogdingsproces. Tieleman gaat na hoe Meyrem Almaci, Mimount Bousakla, Meryem Kanmaz, Ouafae Marrou, Rafike Yilmaz en Laila X zich los geworsteld hebben uit de mannelijke dominantie binnen hun gemeenschap.

Daarnaast laat hij vijf autochtone vrouwen aan het woord over de weg die zij aflegden richting emancipatie. Leona Detiège, Jeanne Devos, Mia Doornaert, Marleen Temmerman en Miet Smet vertellen over hoe zij hebben moeten opboksen tegen patriarchale conventies en tradities.

Naast een schets van het persoonlijke levensverhaal legt Tieleman een viertal thema’s aan de dames voor: onderwijs, tewerkstelling, de hoofddoek en volghuwelijken. Doorheen de interviews worden zowel de gelijkenissen als de verschillen in het emancipatieproces van allochtone en autochtone vrouwen duidelijk.

De vrouwen gingen allen de confrontatie aan met de heersende rollenpatronen binnen hun maatschappij/gemeenschap. Onderwijs en tewerkstelling worden aangehaald als hefbomen tot emancipatie. Ook in het Vlaanderen van de jaren 1960 moesten vrouwen knokken tegen conventies als “na het huwelijk word je een huisvrouw”.

Daarbij speelde nog een socio-economische factor mee: hoger onderwijs was voor iemand afkomstig uit een arbeidersmilieu geen evidentie. De geïnterviewde allochtone vrouwen worstelden eveneens met vrije studiekeuze en werden op school en van thuis uit het beroepsonderwijs ingeduwd. Daaraan ontsnappen betekende voor enkelen het heft in eigen handen nemen en zichzelf voor het ASO inschrijven. Idem dito wanneer het om hoger onderwijs ging.

Tewerkstelling blijkt nog een thema te zijn waar gelijkenissen tussen alle vrouwen opduiken. Detiège, Doornaert, Temmerman en Smet begaven zich op door mannen gedomineerde terreinen (de politieke, academische en journalistieke werelden) en moesten knokken voor hun positie. Meryem Kanmaz benadrukt dat allochtone, in tegenstelling tot autochtone, vrouwen een strijd op twee fronten voeren. Enerzijds moeten ze de discussie aangaan met een meerderheid van Vlamingen die hun gemeenschap misprijzen en wantrouwen. Anderzijds moeten allochtone vrouwen te velde trekken tegen de eigen gemeenschap.

Het boek gaat de controverse om de hoofddoek niet uit de weg. Terwijl het voor Doornaert een teken van onderdrukking is, vraagt Almaci zich af of een vrouw die zelf voor de hoofddoek kiest per definitie onderdrukt is. Bousakla kan zich enkel mannelijke indoctrinatie en intimidatie voorstellen als redenen om een hoofddoek te dragen. Voor Temmerman vormen onbedekte haren evenmin een garantie voor emancipatie noch staat een hoofddoek gelijk aan onderdrukking.

Volghuwelijken, het huwen met een partner uit het land van oorsprong of van de (voor)ouders, worden in het boek als problematisch voorgesteld en worden aangewezen als een obstakel voor de vooruitgang van de aanwezige allochtone gemeenschappen. Volgens Bousakla steken er enkel economische motieven achter. Het is een legale manier om familieleden uit verre oorden naar Europa te brengen en van verblijfsdocumenten te voorzien. Met het overkomen van een buitenlandse partner moet, volgens Yilmaz, het integratieproces telkens herbeginnen. Ook de socio-economische status gaat er op achteruit want de participatie in het onderwijs en de werkgelegenheid zijn schrijnend. De aantrekkelijkheid van huwelijkspartners uit het herkomstland is te wijten aan hun betere scholingsgraad en aan de ‘vromere’ en ‘kuisere’ reputatie die ze genieten.

Waar is de stem van de vrouw mét hoofddoek?

De vrouwen vertellen openhartig over de moeilijke weg die ze hebben afgelegd. Toch wringt het schoentje ergens voor mij. Het boek kent één grote afwezige en dat is de vrouw waarover zo veel meningen verkondigd worden. Waar is de moslimvrouw mét hoofddoek in het hele verhaal?

De achterliggende motieven voor het dragen van de hoofddoek en de symbolische waarde die er achter schuilt, worden uitvoerig besproken. Maar geen enkele vrouw met sjaaltje krijgt het woord. Bestaan er geen mondige gesluierde moslimvrouwen die het over hun emancipatieproces kunnen hebben? Geef ik Tieleman het voordeel van de twijfel en slaagde hij er niet in een gesluierde vrouw tot een interview te verleiden? Of past zij niet in Tielemans plaatje over de allochtone vrouw?

Impliciet geeft Tieleman mee hoe hij zich een geëmancipeerde allochtone vrouw idealiter voorstelt: zonder hoofddoek en liefst van leer trekkend tegen de eigen etnisch-culturele gemeenschap. De allochtone vrouw heeft enkel een mening wanneer ze ‘haar kap over de haag gooit’ en zich emancipeert.

Naar mijn mening houdt Tieleman er een enge interpretatie van het begrip emancipatie op na. Emancipatie wordt enkel in het licht gezien van godsdienstige overtuiging en het al dan niet dragen van hoofddoekjes. Zijn vraagstelling impliceert dat godsdienst en cultuur vrouwenemancipatie belemmeren.

Jammer is dat ook Tieleman moslims benadert als godsdienstige wezens die enkel denken en handelen vanuit hun godsdienst en cultuur. Ze geloven enkel wat de prediker in de lokale moskee vertelt en kunnen niet voor zichzelf denken. Buiten deze twee elementen beschikken moslims niet over andere drijfveren.

De hoofddoek wordt omschreven als een symbool van onderdrukking, maar de vraag stelt zich: ‘Wiens symbool is het?’ Almaci en Kanmaz kaderen de problematiek en leggen enkele pijnpunten bloot waar een volleerd journalist als Tieleman te weinig op in gaat.

Almaci vraagt zich af waarom een geëmancipeerde samenleving zo’n moeite heeft met hoog opgeleide vrouwen die er voor kiezen een hoofddoek te dragen. Kanmaz legt uit hoe alternatieve interpretaties van islamitische teksten voor sommige opgeleide vrouwen de drijvende kracht achter emancipatie is. De visies van Meyrem en Meryem zijn een stuk genuanceerder maar Tieleman lijkt niet voorbij zijn eigen stereotypes te kunnen kijken (onderdrukking van moslimvrouwen, religieuze indoctrinatie, afvalligen etc.). Voor de duidelijkheid, ik beweer niet dat er geen gevallen van onderdrukking bestaan.

Tot slot

Op zich zijn de uitganspunten van het boek interessant: enerzijds een stand van zaken met betrekking tot de emancipatie van allochtone vrouwen en anderzijds de overeenkomsten tusssen de emancipatiestrijd van autochtone en allochtone vrouwen.

Uit de verhalen van zowel allochtone als autochtone vrouwen blijkt dat onderwijs en tewerkstelling de belangrijkste hefbomen tot emancipatie zijn. Toch blijven deze thema’s in het boek onderbelicht.

Terwijl elke allochtone vrouw in het boek nochtans aanhaalt dat de ouders laaggeschoold waren en het milieu waaruit ze stammen weinig hoge verwachtingen stelde op gebied van studie en opleiding, wordt daar te weinig op ingepikt.

Het boek heeft de kans gemist om een genuanceerder beeld rond het thema te schetsen. Met de woorden van Kanmaz “We willen en kunnen elkaar niet begrijpen omdat er zoveel vooroordelen zijn”. En deze sijpelen er, naar mijn bescheiden mening, in dit boek langs alle kanten door.

Dirk Tieleman
Nederlands –Softcover
335 pagina's | Het Bronzen Huis | februari 2011
9789079669318

 

http://jobs.kifkif.be/actua/overhoop